Aanleiding
Motivatie en welzijn zijn belangrijke voorwaarden om tot leren en ontwikkelen te komen. Volgens de zelfdeterminatietheorie dragen drie psychologische basisbehoeften bij aan welzijn en motivatie: autonomie, competentie en verbondenheid. In dit onderzoek (gefinancierd vanuit het NWO middels een promotiebeurs voor leraren) wordt nagegaan wat leerlingen in het VSO motiveert voor school, hoe zij zich voelen op school, en in hoeverre hier in het onderwijs aan tegemoet wordt gekomen.
Urgentie
In het onderwijs wordt er nog teveel over leerlingen gesproken, en lang niet altijd met de leerlingen zelf. Omdat leerlingen een belangrijke informatiebron zijn, wordt er in dit onderzoek mét leerlingen gesproken.
Wat levert het op
Inzicht in wat leerlingen gemotiveerd maakt voor het (voortgezet speciaal) onderwijs. Dit levert handvatten en tools op hoe hier het beste aan tegemoet gekomen kan worden zodat de motivatie van leerlingen vergroot kan worden. Meer informatie vind je in onderstaande video, waarin Willeke Norder vertelt hoe een vraag uit haar onderwijspraktijk heeft geleid tot een onderzoek met mooie resultaten.
Onderstaande infographics geven de eerste resultaten van het onderzoek weer.
Ervaringen van leerlingen in het VSO:

De interviews met 49 VSO leerlingen geven een eerste indruk van hoe leerlingen welzijn en motivatie ervaren. Het welzijn van leerlingen wordt niet alleen door de huidige school beïnvloedt, maar ook door ervaringen op eerdere scholen. Op de huidige school helpt het leerlingen zich goed te voelen als ze zichzelf kunnen zijn en de ruimte en mogelijkheden ervaren om zichzelf te ontwikkelen en te leren kennen. Ook draagt een gevoel van veiligheid, gezelligheid, en je begrepen voelen, bij aan het welzijn van VSO leerlingen op school.
Wat betreft motivatie zien we dat de drie psychologische basisbehoeften op verschillende manieren bijdragen aan schoolmotivatie. Een gevoel van verbondenheid en vrienden hebben op school, maakt leerlingen gemotiveerder om naar school te komen. Over competentiegevoelens geven leerlingen aan dat als ze ergens goed in zijn, ze die vakken dan ook vaak leuk vinden, wat hen helpt met hun motivatie. Ook helpt het als school aansluit op de talenten en toekomstdromen van leerlingen. Wat betreft autonomie geven leerlingen aan dat ze graag keuzevrijheid ervaren, maar ook dat er bepaalde basisregels nodig zijn die ook gehandhaafd moeten worden.
Invloed van leerlingverbondenheid op schoolmotivatie:

Uit 49 interviews met VSO leerlingen blijkt dat het gemiddelde cijfer van VSO leerlingen voor hun motivatie op school een 6,3 is. Die motivatie wordt deels beïnvloed door de verbondenheid die zij ervaren met andere leerlingen op school en in de klas. Een gevoel van leerlingverbondenheid beïnvloedt in de eerste plaats de motivatie om naar school toe te gaan (schoolgangmotivatie), maar ook de motivatie om, eenmaal op school, aan het werk te gaan (schoolwerkmotivatie).
Om meer schoolgangmotivatie te hebben, helpt het om een gezellige en leuke klas te hebben. Sociale contacten op school motiveren leerlingen ook om naar school te gaan, vooral als ze een periode thuis gezeten hebben door schoolwisselingen of schorsingen. Ook is het opdoen van sociale vaardigheden met medeleerlingen bijdragend voor schoolgangmotivatie. Sommige leerlingen maken praktische afspraken met elkaar die het gemakkelijker maken om naar school toe te gaan, bijvoorbeeld door samen te fietsen.
Voor een aantal leerlingen is angst om gepest te worden een factor die hun schoolgangmotivatie vermindert. Ook kunnen leerlingen, wanneer ze niet lekker in hun vel zitten, zich minder verbonden voelen met medeleerlingen. Dit kan de motivatie om naar school te gaan verminderen.
Voor schoolwerkmotivatie helpt het mogen samenwerken met klasgenoten en elkaar helpen met vakken en vaardigheden. Ook het hebben van klasgenoten die (ook) gemotiveerd zijn draagt bij aan motivatie om aan het werk te gaan. Wanneer leerlingen elkaar motiveren en complimenteren over elkaars werk en ontwikkeling, vergroot dit de schoolwerkmotivatie ook. Voor sommige leerlingen helpt het juist als ze af en toe alleen kunnen zijn. Daardoor ervaren ze rust om daarna weer gemotiveerd aan het werk te kunnen gaan. Een aantal leerlingen heeft het gevoel dat een VSO school niet passend voor hen is. Dit kan de motivatie om extra hard te werken vergroten, omdat ze graag willen schakelen naar een reguliere school.
Er zijn ook factoren die een negatieve invloed hebben op schoolwerkmotivatie. Zo is een gezellige klas soms een beetje “te gezellig” en te druk. Gevolgen hiervan zijn elkaar afleiden, minder concentratie, en ook minder motivatie om te werken. Ook een gevoel van eenzaamheid kan soms zorgen voor lagere schoolwerkmotivatie. Hoewel sommige leerlingen gemotiveerder raken als de VSO school niet passend voor hen is, kan dit gevoel ook demotiverend zijn: ze hebben het gevoel dat ze niet bij hun klasgenoten passen, en kunnen daardoor moeilijk de motivatie vinden om aan het werk te gaan.
Uit de resultaten blijkt dat leerlingverbondenheid via verschillende factoren invloed kan hebben op schoolgang- en schoolwerkmotivatie in het VSO. Goede onderlinge leerlingrelaties zijn een heel belangrijke reden voor leerlingen om naar school te gaan. Het is daarom belangrijk om op school te investeren in deze relaties. Daarnaast is het belangrijk leerlingen de ruimte te geven om strategieën te gebruiken waarvan zij zelf weten dat het hen helpt om motivatie te houden of terug te krijgen. Voorbeelden van deze strategieën zijn: op een rustige plek of in een andere klas zitten om geconcentreerder te werken, muziek luisteren om niet afgeleid te raken, even alleen zijn, en samenwerken met klasgenoten, zowel vakinhoudelijk als qua sociale vaardigheden.